niet de moed had om het hardop te zeggen, en een uitgebreide verklaring had achtergelaten. Mijn handen trilden hevig toen ik het papiertje openvouwde.
Het was niet van mijn man. Het was geschreven in een ietwat haastig, ongelijkmatig handschrift: “Bel me.” Daaronder stond een telefoonnummer.
Ik lachte. Hardop. Het was een vreemd, gebroken geluid dat ergens tussen mijn wanhopige snikken door ontsnapte. Het voelde zo absurd, bijna ronduit beledigend, alsof er plotseling een slechte romantische komedie in mijn persoonlijke tragedie binnendrong. Echt waar? Nu? dacht ik bitter. Is dit het