niet. Hij beet niet. Hij maakte niets anders dan een zacht, smakkend geluid.
Toen merkte ik dat de ‘slang’ niet egaal donker was. Hij had lichtere plekken. En hij was niet perfect cilindrisch – hij had platte plekken, alsof hij ergens tegenaan gedrukt was.
Ik legde de bezem neer. Ik knielde naast het bad. Ik reikte ernaar en raakte hem aan.
Hij was koud. Rubberachtig. En volkomen, onmiskenbaar anorganisch.
Ik haalde hem uit het bad en hield hem tegen het licht.
Het was een zwarte, rubberen afvoerslang. Zo’n lange, flexibele slang